70. Kopje onder


Al een lange periode ben ik hard aan het watertrappelen. Twee vingertjes boven water. Ik ben vastberaden, ik ga niet verdrinken. Her en der ben ik aan het stoeien met grenzen. Helaas zijn deze grenzen steeds eerder bereikt.

Natuurlijk krijg ik signalen. Mijn lijf doet pijn. Zo’n pijn dat ik niet lekker kan zitten, lopen of liggen. En de fysiotherapeute doet er minstens een half uur over om mijn spieren een beetje los te masseren. En dat deze spieren een beetje ontspannen en ik ook. Vanaf de eerste minuut stomen de tranen. Tranen van fysieke pijn en teleurstelling.

Andere signalen zijn er ook. Snel moe, tintelende lichaamsdelen, letters die geen woorden kunnen vormen. Momenten dat het mij zomaar aanvliegt. Ergens aan willen beginnen, maar niet weten hoe.

Goed, ik lig op mijn buik op de bank bij de fysiotherapeute. Er zijn tranen, snot en nog meer tranen. ‘Laat het maar gaan, dat werkt het beste,’ zegt ze. Gelukkig zit er een gat in die bank. Anders zat mijn hele hoofd onder het snot! De lessen die ik deze dag nog moet geven heb ik afgezegd. Dit is niet het moment om kinderen te leren hoe ze duidelijk grenzen moeten aangeven. Dit is het moment dat ik mijn grenzen duidelijker aan moet geven. Honderd procent ziekte, niet meer van dat halve werk.

Geluksmomentjes:
Vandaag heb ik een onbestemt gevoel. Wat moet ik met de tijd? Waar word ik blij van? In de podcast ‘Brain Balance’ (die ik gisteren heb geluisterd: een aanrader) komt meermaals de tip om te wandelen in de natuur.
Gisteren waren er te veel heftige buien. Vandaag is het zonnig. Ik ga op pad. Aan het einde van de straat begint de natuur. Op het moment dat ik denk: wat ruikt de natuur vandaag lekker. Dat moet ik even goed ruiken. Zie ik een hondendrol. Drie grote stappen verder snuif ik de natuur in mij op!

Halverwege de wandeling neem ik plaats op een bankje. Een heerlijk uitzicht over de weilanden. Kikkers kwaken in de sloot. Vogels fluiten vanuit de bomen. De zon kietelt op mijn schouders en benen. Ik schrijf alles van mij af.